Hoe ziet het besluitvormingsproces over het aardgasvrij maken van een wijk eruit? Wat staat er in de Transitievisie Warmte, wat in het wijkuitvoeringsplan en hoe past dit binnen de landelijke wetgeving? In de 'Kamerbrief uitwerking Klimaatakkoord gebouwde omgeving 2019' wordt dat duidelijk.

Transitievisie warmte en wijkuitvoeringsplan

Het is de bedoeling dat gemeenten in de Transitievisie Warmte in ieder geval opnemen voor wijken die tot en met 2030 gepland zijn:

  1. Hoeveel woningen en andere gebouwen tot en met 2030 worden geïsoleerd en/of aardgasvrij worden gemaakt.  
  2. Welke alternatieve warmtevoorzieningen kansrijk zijn. 
  3. Welk warmtealternatief de laagste nationale kosten heeft.

De uiteindelijke keuze van de gemeente zal worden vastgelegd in het omgevingsplan op grond van de Omgevingswet.

Definitieve keuze voor het warmtealternatief

De gemeente bereidt de definitieve keuze voor via een wijkuitvoeringsplan. Dat plan heeft betrekking op één of meerdere buurten of wijken waarvan de gemeente in de Transitievisie Warmte heeft aangegeven daar voor 2030 aan de slag te gaan. Aan de hand van het wijkuitvoeringsplan wordt een keuze gemaakt voor het definitieve aardgasalternatief voor een wijk en het moment waarop het gebruik van aardgas in de wijk wordt beëindigd. De gemeente stelt dit wijkuitvoeringsplan op in samenspraak met bewoners, gebouweigenaren, netbeheerders en andere stakeholders.

Warmtewet 2.0 maakt meer duidelijk over warmtenetten

Als de gemeente voor buurten of wijken de keuze maakt voor een collectief warmtesysteem als alternatieve warmte-infrastructuur, zal de gemeente voor de vaststelling van het wijkuitvoeringsplan stappen moeten zetten zoals het vaststellen van een warmtekavel en de aanwijzing van een warmtebedrijf. Dit wordt vormgegeven in de Warmtewet 2.0.

De overstap naar aardgasvrij: wie bepaalt dat en wanneer?

Het wijkuitvoeringsplan beschrijft voor de betreffende wijk of buurt de wijze en het moment waarop de overstap van het gebruik van fossiel aardgas naar de duurzame oplossing wordt gemaakt. De keuze van dat moment en het alternatief worden door de gemeenteraad juridisch verankerd in het omgevingsplan.

Het gebruik van aardgas voor ruimteverwarming, warm tapwater en koken in de gebouwen in de wijk kan niet zomaar worden beperkt of uiteindelijk gestopt. Hiervoor moet voor een gebouw daadwerkelijk de mogelijkheid zijn geboden om aan te sluiten op een duurzame alternatieve voorziening en om aanpassingen zoals isolatie uit te voeren. Daarbij moet een zorgvuldige afweging plaatsvinden tussen de verduurzamingopgave waar de gemeente voor staat enerzijds en de gevolgen voor gebouweigenaren en gebruikers anderzijds.

Als sluitstuk van de wijkgerichte aanpak is in het voorstel uit het Klimaatakkoord opgenomen dat de gemeente ook moet kunnen bepalen wanneer een wijk geen gebruik meer kan maken van het aardgasnet. De netbeheerder krijgt dan de mogelijkheid om het transport van aardgas te beëindigen.

De rol van de omgevingswet

De Omgevingswet, die in 2021 in zal gaan, is de belangrijkste “gereedschapskist” om de wijkgerichte aanpak vorm te geven. Wel vergt dat nog op onderdelen aanvulling of verduidelijking. Het gaat daarbij om de volgende punten:

Gemeente moet aangeven hoe burgers betrokken worden

De afspraak dat iedere gemeente eind 2021 een Transitievisie Warmte heeft vastgesteld, kan worden vormgegeven met het instrument programma uit de Omgevingswet. Gemeenten stellen de Transitievisie Warmte op met betrokkenheid van stakeholders. De gemeente geeft vooraf aan hoe het participatietraject eruit komt te zien. Bij de vaststelling van een programma onder de Omgevingswet (lees i.c. de Transitievisie Warmte) moet de gemeente aangegeven hoe burgers, bedrijven en maatschappelijke partijen bij de totstandkoming betrokken zijn. Ook voor het wijkuitvoeringsplan kan gebruik gemaakt worden van het instrument programma onder de Omgevingswet.

Het omgevingsplan en mogelijk bezwaar

De Omgevingswet bevat ook regels over de voorbereiding van een omgevingsplan en de participatie van burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere belanghebbenden daarbij. De gemeente geeft bij de vaststelling van het omgevingsplan aan hoe het participatietraject eruit heeft gezien. Bovendien wordt het omgevingsplan voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van de Omgevingswet kan iedereen daarbij zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren brengen. Nadat de gemeenteraad het plan heeft vastgesteld, kunnen belanghebbenden – net zoals nu bij bestemmingsplannen - zo nodig beroep tegen het besluit indienen.

Alleen proportionele maatregelen voor gebouweigenaren

Om de warmtetransitie in de gebouwde omgeving uit te voeren, zijn in de meeste gevallen ook aanpassingen aan gebouwen nodig. De door de gemeente gekozen nieuwe duurzame warmtevoorziening kan in dat opzicht grote gevolgen hebben voor gebouweigenaren en verhuurders. Eigenaren en/of verhuurders moeten hun woningen en gebouwen mogelijk extra isoleren en verwarmingssystemen en kookvoorzieningen in de woning geschikt maken voor de alternatieve warmtevoorziening. De maatregelen die gebouweigenaren moeten nemen, moeten proportioneel zijn. Dat maakt dat de gemeente alleen een nieuwe warmtevoorziening in het omgevingsplan kan aanwijzen als duidelijk is dat de gebouweigenaren voldoende middelen hebben of krijgen om de aanpassingen te doen, bijvoorbeeld in de vorm van financiering of subsidies.

Mogelijk zullen door het Rijk ook regels opgesteld moeten worden om te voorkomen dat kleinverbruikers voor ruimteverwarming, warm tapwater en bij het koken gaan overstappen van gebruik van aardgas op gebruik van andere fossiele bronnen zoals stookolie, steenkool, bruinkool, turf of propaangas.

Lees de hele brief

Download

of bezoek de website van de Rijksoverheid

Bekijk ook het Participatieschema

Zie ook het Participatieschema van HIER, waarin we de participatie van bewoners als vertrekpunt nemen.