Om bewoners te ondersteunen bij de verduurzaming van hun huis heeft de overheid de Standaard voor woningisolatie ontwikkeld. Ze krijgen hiermee inzicht in wat als goede en toekomstvaste maatregelen wordt beschouwd. De Standaard gaat ervan uit dat alle gangbare maatregelen aan de schil van een woning worden getroffen, inclusief ventilatie en kierdichting.

Het ontwikkelen van de Standaard was in het Klimaatakkoord afgesproken. Het idee is dat de Standaard bij verbouwingen en verduurzaming een belangrijke bijdrage kan leveren aan het halen van de klimaatdoelen en de afgesproken CO2-reductie in de gebouwde omgeving voor 2030 en 2050. Daarvoor moet de Standaard wel veel toegepast worden.

Isolatie voor lagetemperatuurverwarming

Door te isoleren naar de Standaard worden woningen voorbereid op een toekomst waarin verwarmd wordt met lagere temperaturen dan nu gebruikelijk is. Hiermee wordt voor woningen van na 1945 een aanlevertemperatuur bedoeld van 50 graden en voor oudere woningen maximaal 70 graden. Er is gekozen voor dit niveau van isolatie zodat een woning niet nogmaals voor 2050 geïsoleerd hoeft te worden.

Verder zijn belangrijke uitgangspunten dat bouwkundig ingrijpen zoveel mogelijk beperken wordt, dat zoveel mogelijk binnen de bestaande constructie geïsoleerd wordt, dat de maatregelen professioneel worden uitgevoerd en dat zoveel als mogelijk voorkomen wordt dat ingrijpende aanpassingen aan de warmteafgiftesystemen nodig zijn.

Als gevolg van het uitgangspunt om binnen de bestaande constructie te isoleren, is de Standaard voor vooroorlogse woningen minder strikt. Het gevolg hiervan is wel dat deze woningen niet zonder extra maatregelen op 50 graden kunnen worden verwarmd.

4 standaarden voor typen woningen

Bovenstaande uitgangspunten hebben geleid tot onderstaand voorstel voor vier Standaarden. De Standaarden geven aan hoeveel warmte (kWh), per m2 gebruiksoppervlak, per jaar nodig is nadat er isolatie, kierdichting en ventilatie is toegepast.

eengezinswoningen gebouwd tot en met 1945

60 kWh/m2

meergezinswoningen gebouwd tot en met 1945

95 kWh/m2

eengezinswoningen gebouwd na 1945

43 kWh/m2

meergezinswoningen gebouwd na 1945.

45 kWh/m2

(1 m3 aardgas = bijna 10 kWh)

Streefwaarden

Naast een Standaard voor de gehele woning zijn er ook streefwaarden ontwikkeld voor afzonderlijke bouwdelen zoals vloer, ramen, buitenmuren en dak. Ook is er een streefwaarde voor kierdichting en ventilatie. Deze streefwaarden zijn bedoeld om een toekomstvaste referentie te geven voor een enkel bouwdeel. Isoleren van een bouwdeel naar deze streefwaarde zorgt ervoor dat dit genoeg is geïsoleerd en in de toekomst niet meer opnieuw hoeft te worden aangepakt.

Het isoleren van bestaande woningen naar het niveau van de Standaard vergt investeringen door gebouweigenaren die zich niet altijd via een lagere energierekening laten terugverdienen. Of isolatiemaatregelen binnen de looptijd van de financiering kunnen worden terugverdiend hangt onder meer af van de kenmerken van de woning, het huidige energiegebruik, de toekomstige warmtevoorziening en wijze waarop maatregelen worden uitgevoerd. Daarnaast speelt ook het moment waarop de investering wordt gedaan een belangrijke rol. Een investering op een natuurlijk moment van onderhoud of verbouwing laat zich sneller terugverdienen dan een investering op een niet natuurlijk moment.

De Standaard en warmtenet

Het merendeel van de woningen is gebouwd tussen 1945 en 1996. Deze woningen zijn, zodra zij voldoen aan de Standaard, geschikt voor aansluiting op een warmtevoorziening met een temperatuurniveau van 70 graden in de woning. Bij aansluiting op een warmtevoorziening met een temperatuurniveau van 50 graden in de woning is de isolatiegraad toereikend. Wel zal bij een deel van de woningen (ca. 20%) beperkte aanpassing van de warmteafgiftesystemen nodig zijn, zoals uitbreiding/vervanging van een of enkele radiatoren. Dat hangt mede af van het comfortniveau dat destijds is gehanteerd bij de oorspronkelijke aanleg van dat systeem.

Voor woningen met een bouwjaar van 1945 en eerder geldt een minder vergaande Standaard. Dit komt omdat het isoleren van gevels (enkelsteensmuur of te smalle spouw) bij een aanzienlijk deel van deze woningen lastig is en de zorg bestaat dat deze in de praktijk te vaak om technisch, sociale of economische redenen niet op een vergelijkbare Standaard voor woningen na 1945 kunnen worden gebracht. Het gevolg hiervan is dat deze woningen, zodra zij voldoen aan de Standaard, met beperkte aanpassing aan warmteafgiftesystemen geschikt zijn voor aansluiten op een temperatuur in de woning van 70 graden. Dat hangt mede af van het comfortniveau dat destijds is gehanteerd bij de oorspronkelijke aanleg van dat systeem. Bij verwarming met 50 graden in de woning is waarschijnlijk vervanging van warmteafgiftesysteem aan de orde om deze woning warm te krijgen, en wordt thermisch comfort (door de ongeïsoleerde gevel) één van de aandachtspunten.

Verschil met Startanalyse: handelingsperspectief voor bewoners

De gekozen aanpak verschilt van de benadering die is gekozen in de zogenaamde Startanalyse van PBL. Daarin is gewerkt met een tweetal isolatieniveaus (matig en goed). Uit de analyse blijkt dat varianten met een hogere temperatuurwarmte in combinatie met een matig isolatieniveau leiden tot de laagste nationale kosten. Het is echter nog onzeker voor welke delen van de gebouwde omgeving ook op langere termijn hogere temperatuurwarmte beschikbaar zal zijn en blijven. Voor de Standaard is mede hierom het uitgangspunt van goede isolatie genomen. Het niveau van matige isolatie is voor warmtealternatieven op lagere temperaturen niet voldoende om de woning warm te krijgen zonder aanpassing van het warmteafgiftesysteem in de woning. De Standaard geeft op deze wijze een handelingsperspectief voor gebouweigenaren in de situatie dat de beschikbaarheid en kosten van het duurzame warmtealternatief nog niet bekend zijn. Dit zal met name gelden voor de woningen die na 2030 aan de beurt zijn.

Beleid om de Standaard te gebruiken

Het beleid richt zich in eerste instantie op brede communicatie over toepassing van de Standaard als referentie voor het isolatieniveau voor bestaande woningen door:

  1. de Standaard breed uit te dragen in samenwerking met energieloketten, consumentenorganisaties, financiële instellingen, makelaars, etc.;
  2. de Standaard te communiceren op het energielabel en hiermee voor kopers en huurders inzichtelijk te maken of de woning aan de Standaard voldoet en welke verbeteringen mogelijk zijn;
  3. voor particuliere verhuurders en eigenaar-bewoners te zorgen voor ontzorging bij te nemen maatregelen en het vinden van betrouwbare uitvoerders bij toepassing van de Standaard o.a. via het landelijk digitaal platform www.verbeterjehuis.nl;
  4. te verkennen of de Standaard gebruikt kan worden als referentie bij de inrichting van subsidieregelingen; - verschillende opties uit te werken ter aanpassing van huurregelgeving en het woningwaarderingsstelsel gericht op stimulering van de Standaard in de huursector.

Besluitvorming over een verplichting voor verhuurders is aan het toekomstige kabinet. Een eventuele verplichting voor eigenaar-bewoners is op z’n vroegst aan de orde bij de evaluatie van de Standaard en streefwaarden in 2025.

Bekijk de volledige Standaard

Meer details over de standaard vind je in de memo 'Standaard en Streefwaarden uitkomst traject begeleidingscommissie'

Download de memo