Hoe financier je je lokale duurzame energieproject? In welke projectfase kun je ‘putten’ uit welke financiële bronnen? Wie kun je benaderen als mogelijke geldverstrekker? En waar letten zij op bij jouw aanvraag? In dit artikel zetten Bernard Stornebrink van Enber en Ronald Korpershoek van de Rabobank de opties op een rij.

Welke projectfase en welke behoefte?

Er zijn grofweg drie fasen waarin een project zich kan bevinden: 1) de verkenningsfase, 2) de ontwikkelfase en 3) de realisatiefase. Ronald Korpershoek: “In de eerste fase verken je als coöperatie  de mogelijkheden om een project te starten. Dus, waar vind je een geschikt dak, veld of locatie voor een zon- of windproject? Je maakt dan vooral kosten. Die zal je primair moeten bekostigen met geld van leden of subsidie.”

In de ontwikkelfase wordt het plan uitgewerkt, onderzoek gedaan zoals bijvoorbeeld een MER (Milieu Effect Rapportage), en vindt de vergunningsaanvraag en SDE+-beschikking plaats. Korpershoek: “Deze fase resulteert in een heldere business case. Dit vraagt om een ander type geld. Je hebt geld nodig om adviseurs te kunnen betalen en onderzoek te kunnen doen. Subsidie kan uitkomst bieden. Het is echter ook mogelijk een type financiering te zoeken dat wordt terugbetaald zodra je fase 3 ingaat. In de derde fase gaat het om het realiseren van het project. Dus het plaatsen van de windturbines of zonnepanelen. Je zult eigen vermogen bijeen moeten brengen, bijvoorbeeld van leden, maar je kunt vaak ook een flink deel financieren met een lening van een fonds of bank.”

Bij iedere fase zijn dus verschillende bronnen van geld. Naast de fase speelt ook de omvang van het project een rol. Per fase gaan we daar nader op in.

Fase 1: de organisatorische kosten

In de verkenningsfase maakt de coöperatie kosten, zoals voor de notaris, website, communicatie en bijeenkomsten. Dit zijn geen investeringen die, in accountantstermen, op de balans gezet kunnen worden en zich uiteindelijk rechtstreeks terugverdienen. Veel werk in deze fase wordt verricht door vrijwilligers; dus uren waar geen vergoeding tegenover staat. Korpershoek: “Om de externe kosten te dekken, ben je aangewezen op het entreegeld en contributie van leden, aangevuld met subsidies van gemeente, provincie of fondsen. Dus geld dat feitelijk niet hoeft te worden terugbetaald.”

Fase 2: Financieren van de business case

Bij een kleinschalig project, zoals een postcoderoosproject of het dak van een bedrijfshal met een SDE+-subsidie zijn de ontwikkelkosten veelal nog te overzien. Bernard Stornebrink: “Tijd en kosten voor vergunningen en onderzoeken zijn beperkt. Subsidie blijft daarbij een aantrekkelijke bron om uit te putten. Doordat je niet hoeft terug te betalen, drukt het niet de rentabiliteit van de business case. Een rentabiliteit die bij kleinere projecten toch al onder druk staat.”

Bij grotere projecten, zoals een windmolenpark of zonneweide, lopen de kosten flink op. De coöperatie zal ook naar andere bronnen van financiering moeten kijken. Stornebrink: “Je kunt in deze fase wel de uren van vrijwilligers ‘belonen’. Besturen blijft veelal onbezoldigd, maar als je een professional in je gelederen hebt die een of enkele dagen per week concreet werk verricht, dan kan je als bestuur overwegen afspraken te maken over aantal uren en tarief. Inclusief wat er gebeurt als het project onverhoopt niet doorgaat. In balanstermen gesproken: je ‘activeert’ zijn of haar uren. Daarmee wordt hun werk een ‘investering’ in de coöperatie die op een later moment – als er geld wordt verdiend – kan worden uitbetaald.”

Partijen met een hoger risicoprofiel

Niet voor elke coöperatie is de ontwikkeling te doen met subsidie alleen of het ‘activeren’ van uren. Geld lenen is een mogelijkheid, al zal je dat vooral moeten zoeken bij partijen die zijn ingesteld op een hoger risicoprofiel. Korpershoek: “Als coöperatie ben je al snel razend enthousiast over je plannen. Bedenk echter wel dat aan de andere kant van de tafel mensen op hele andere criteria toetsen. Je moet dus zakelijk zijn en helder maken: wat zijn de risico’s en wat zijn de baten voor jullie als financier?”

Voor een bancaire financiering is het in deze fase nog te vroeg. Er bestaat namelijk altijd een reële kans dat het project niet doorgaat, een vergunning niet wordt verstrekt of een SDE+-beschikking niet wordt afgegeven. Maar er zijn wel fondsen, veelal gevuld door gemeente en provincie, die uitkomst kunnen bieden. Ook het Rijk onderzoekt de mogelijkheden om energiecoöperaties in de toekomst te helpen bij de financiering van ontwikkelkosten. Hou er rekening mee dat tegenover een hoger risico, ook een hogere vergoeding staat van soms wel meer dan 20%. Korpershoek: “Al hebben dergelijke fondsen veelal geen winstoogmerk, als een op de zes projecten niet doorgaat, moet de vergoeding uit de andere vijf projecten voldoende zijn om het fonds in stand te houden.”

Fase 3 - Realisatiefase

De business case sluit, vergunningen en SDE-beschikking zijn binnen, kortom alle seinen staan op groen om het project te realiseren. Gelijktijdig ontstaan er nieuwe mogelijkheden om het project te financieren. De basis is uiteraard de eigen inbreng, het eigen vermogen dan wel het ingebrachte kapitaal. Gebruikelijk is dat tussen de 10% en 50% zelf wordt ingebracht, afhankelijk van hoe het project rendeert en hoe groot de risico’s zijn. De coöperatie kan dit bijeen brengen door bijvoorbeeld obligaties of participaties uit te geven onder haar leden. Let er daarbij wel op dat je direct het terrein betreedt waarop de Wet financieel toezicht (Wft) van toepassing is.

Ook kan het eigen vermogen bij een project worden versterkt met een achtergestelde lening van bijvoorbeeld een energiefonds. Zo’n lening wordt achtergesteld op die van een bank. Daardoor wordt het voor de bank eenvoudiger om het resterende deel te financieren. Korpershoek: “Een goed onderbouwd plan met een degelijke business case daaronder is zeker bancair financierbaar. Een bank zal altijd zekerheden vragen, zoals hypotheek of verpanding van de installatie, maar daar staat dan vaak ook een gunstige rente tegenover.”

Voorwaarden voor een goed plan met een degelijke business case

Stornebrink: “Een goed plan en een daarbij horende financiële onderbouwing en business case laat potentiële financiers zien dat je het project in de vingers hebt.” Zo’n plan bevat minimaal de volgende punten:

  • Welk stuk van de markt bedien je en wat is je onderscheidende aanbod hierin?
  • Structurering: welke partijen zijn betrokken? Wat is hun inbreng en motivatie? Kortom, zijn de juiste personen en organisaties bij elkaar om een dergelijk project te ontwikkelen?
  • Resultaat: wat wordt het businessmodel van dit project? Waarmee wordt het geld verdiend? Welke planning wordt gehanteerd en hoe lang gaat het duren voordat er inkomsten zijn?
  • Rendement: Hoe is het rendement berekend? Met welke risico’s gaat dit gepaard?
  • Hoe ziet de cashflow eruit (ruwweg winst plus afschrijving)? Welke aannames worden er gehanteerd. Zijn die toetsbaar en realistisch? Dekken deze ruim de rente en aflossingsverplichtingen inclusief een marge van bijvoorbeeld +20%?
  • Investeringsplan: hoeveel geld is er nodig? Welk deel wordt zelf ingebracht, vanuit de coöperatie, via de inbreng door leden en of een achtergestelde lening? Kortom, wat is de solvabiliteit?

Korpershoek: “Zorg dat je als coöperatie een duidelijk plan hebt die antwoord geeft op dit soort vragen voordat je een afspraak maakt met een financier.”

Mogelijke financieringen

In dit artikel zijn per fase verschillende financieringen voorbij gekomen. Hieronder zetten we de mogelijkheden op een rijtje. Let wel: de financieringen verschillen uiteraard wat betreft doeleinde en fase. Een SDE+-subsidie is niet te vergelijken met een lening van een fonds of bank of crowdfunding. Sommige financieringen zijn een aanvulling op de inkomsten, andere zijn bedoeld om een investering in jaar 1 te kunnen doen die dan in de 14 daaropvolgende jaren wordt terugbetaald. Voor inspirerende mogelijkheden, zetten we hieronder rijp en groen door elkaar.

Eigen vermogen via obligaties of participaties van leden

Naast een lening van een fonds of bank is altijd een deel eigen vermogen nodig, meestal 10-50% van de totale investering. Via verkoop van participaties of obligaties aan leden kunnen coöperaties eigen vermogen verwerven. Let daarbij wel op de voorwaarden vanuit de Wet op het financieel toezicht (Wft). Wees je bewust dat de Wft van toepassing kan zijn, bijvoorbeeld als er leningen ontvangen worden van leden of als er deelcertificaten/participaties worden uitgegeven.

Crowdfunding

Al lijkt crowdfunding op inleg door leden via obligaties of participaties, het verschilt wel degelijk. Je maakt daarbij gebruik van een crowdfundingplatform met een Wft-vergunning. Dat neemt werk uit handen maar daar betaal je uiteraard wel een provisie over. Denk aan 1 of enkele procenten. Je kunt de inleg ook breder open zetten dan alleen onder de leden. Dan is het echter wel de vraag wat er over blijft van de coöperatieve binding tussen de leden.

Bancaire lening of krediet, mogelijk in de vorm van projectfinanciering

Een bancaire financiering is eigenlijk alleen mogelijk in fase 3: als het project met zekerheid doorgaat. Er wordt dan gekeken naar de hele organisatie, inclusief het nieuwe project, of de vrije kasstroom de rente en aflossingen kunnen betalen en welke zekerheden er kunnen worden gesteld.  Voordeel is dat er bij minder risico een lagere rente mogelijk is. Zeker bij projectfinanciering wordt er alleen naar het project (ondergebracht in een aparte BV) gekeken.

De kasstroomgarantie is voor een bank enorm belangrijk. Kun je garanderen dat er een solvabele (AAA) partij gedurende een langere periode (15 jaar) jouw energie afneemt? Dan helpt dat uiteraard bij de aanvraag. Bij leningen zijn termijnen van 15 jaar niet ongebruikelijk. Een krediet kan handig zijn om in de eerste fase de aanloopkosten te dekken en de periode te overbruggen tot de btw terug is gevorderd.

Gemeentelijke bijdrage

Gemeenten zijn interessante partners. Veel gemeenten ondersteunen projecten met een bijdrage. De hoeveelheid subsidie verschilt per gemeente en project. Een andere optie is dat een gemeente garant wil staan voor het project en/of de energieafname. Daarmee kan de rente op een lening soms dalen naar 1%. Vaak is de bijdrage of ondersteuning vanuit een gemeente ook een voorwaarde om een lening of subsidie bij een provincie aan te vragen.

Provinciale energiefondsen

Binnen sommige provincies kunnen coöperaties ook gebruik maken van speciale energiefondsen (zie het artikel Ondersteuning energiecoöperaties per provincie). De voorwaarden zijn per provincie verschillend maar overwegend gunstig. Ze vervullen vooral een rol als commerciële partijen niet kunnen financieren vanwege een te kleine omvang of een hoger risico.

Leverancierskrediet

Mogelijk kan je met de leverancier van je installatie een vorm van leverancierskrediet afspreken, bijvoorbeeld door de laatste termijn van 20% pas te hoeven betalen als de btw terug is ontvangen.  Ook zijn grote bouwpartijen wel eens bereid een deel van de ontwikkelkosten voor te financieren. Het gaat daarbij vaak wel om (zeer) grote projecten zoals windprojecten.

Kerken en maatschappelijke instellingen

Heb je een zonproject waarbij ook mensen met een smalle beurs moeten kunnen meedoen? De overheid maar ook lokale maatschappelijke instellingen zoals kerken kunnen dan bereid zijn bij te dragen. De contributie van de participerende burger kan bijvoorbeeld bij een postcoderoosproject van zo’n € 300 naar € 50 per paneel worden teruggebracht.

Lokale ondernemers

Denk ook aan lokale partijen en ondernemers zoals tankstations die iets willen doen met hun CO2-emissies. Sommige zijn bereid om een project te financieren als compensatie voor hun uitstoot. 

Bank Nederlandse Gemeenten

Bij de Bank Nederlandse Gemeenten kunnen verenigingen, ondernemers en andere zakelijke initiatiefnemers bij het BNG Duurzaamheidsfonds een lening afsluiten vanaf € 100.000 voor projecten die een bijdrage leveren aan de duurzaamheidsdoelen van gemeenten of provincies.

Overheid - warmteprojecten

De overheid heeft voor warmteprojecten een subsidie in het leven geroepen waarbij 27 wijken aardgasvrij kunnen worden gemaakt door gebruik te maken van lokale warmtebronnen.

Schenkingen

Schenkingen/ sponsoring van particulieren of professionele partijen zijn ook een optie. Vraag de mogelijkheden hiervoor na bij de notaris.

Dit artikel is geschreven met medewerking van Ronald Korpershoek van de Rabobank en Bernard Stornebrink van Enber. Het artikel is geschreven n.a.v. de gelijknamige deelsessie tijdens het Evenement HIER opgewekt 2018.