Installateurs van zonnepanelen trekken u graag over de streep met het argument dat de elektriciteitsprijs de komende jaren met X% stijgt en u uw zonnepanelen daarom binnen Y jaar heeft terugverdiend. De X en Y verschillen per aanbieding en installateur, maar één ding is duidelijk: sommige beloftes zijn te mooi om waar te zijn. Ook energiecoöperaties worstelen met de vraag met welke elektriciteitsprijsstijging zij kunnen rekenen in hun businesscases. Wat is realistisch?

Invloed elektriciteitsprijs

De ontwikkeling van de elektriciteitsprijs speelt een belangrijke rol in elk rekenmodel voor de opwekking van elektriciteit. Wie investeert wil immers weten wat deze investering opbrengt en de belangrijkste inkomstenbron is de verkochte elektriciteit. Als je als consument op je eigen dak zonnestroom produceert en deze zelf verbruikt, dan vermijd je daarmee de inkoop van stroom van je energieleverancier. Dit vermeden verbruik is eigenlijk je inkomstenbron. Daarom wordt aan elke kWh stroom die je zonnepanelen produceren, een prijs gehangen die overeenkomt met de prijs die je normaal zou moeten betalen.

Bij een energiecoöperatie geldt iets vergelijkbaars. Wanneer een energiecoöperatie zelf groene stroom produceert en deze aan haar leden levert, is er bij de leden ook sprake van vermeden elektriciteitsverbruik, waaraan een prijskaartje hangt. Als de energiecoöperatie de stroom niet direct aan de leden levert, maar verkoopt aan een energieleverancier, dan wordt in de overeenkomst vastgelegd welke vergoedingen worden betaald. Als er een vaste prijs wordt afgesproken over een bepaalde periode, dan heeft een verandering van de marktprijs voor elektriciteit uiteraard geen invloed meer op de rentabiliteit van het project.

Energiecoöperaties en installateurs moeten voorzichtig zijn met wat ze beloven aan hun leden en klanten. Je kunt je rijk rekenen door in je berekeningen uit te gaan van grote elektriciteitsprijsstijgingen. Daardoor kun je de terugverdientijd en het rendement op de investering mooier voorspiegelen dan ze in werkelijkheid zijn. Bedenk bijvoorbeeld eens wat het betekent als een elektriciteitsprijs van € 0,23 per kWh over een periode van 20 jaar in elk jaar met 4% stijgt: dat zou een prijs van € 0,50 per kWh opleveren. Is dat realistisch? Waarschijnlijk niet.

CBS-cijfers

Het gebeurt nogal eens dat in aanbiedingen wordt verwezen naar cijfers van het CBS. Met deze cijfers moet echter zeer voorzichtig worden omgesprongen, omdat de getoonde tarieven zijn samengesteld uit de kostencomponenten netwerkkosten, levering, energiebelasting en transport, maar de btw en de teruggave energiebelasting zitten er niet in. Deze cijfers geven dus geen goed beeld van de ontwikkeling van de energieprijzen en mogen daarom niet gebruikt worden als referentiekader. Netwerkkosten moeten gescheiden worden van de leveringskosten en de leveringskosten bestaan uit meerdere componenten, zoals hierna wordt beschreven. Daarnaast geldt ook hier, dat prijsstijgingen ‘uit het verleden geen garantie bieden voor de toekomst’. We moeten daarom eerst beter kijken naar de kostenopbouw van elektriciteit voordat we iets zinnigs kunnen zeggen over een elektriciteitsprijsstijging.

Opbouw elektriciteitsprijs

De energierekening van de consument is op dit moment als volgt opgebouwd. Allereerst moeten we een onderscheid maken tussen gas, elektriciteit en warmte. In dit artikel kijken we alleen naar elektriciteit. Het tweede onderscheid dat we moeten maken, is tussen de kosten voor het netbeheer en de kosten voor de energielevering. De energieleverancier brengt de kosten voor het netbeheer, de zogenaamde netwerkkosten, bij de consument in rekening namens de netbeheerder. De netwerkkosten dekken grofweg de kosten die de netbeheerder moet maken om het elektriciteitsnet aan te leggen en te onderhouden. Sinds 1 januari 2009 is er sprake van een capaciteitstarief voor kleinverbruikers. Zij betalen een vast bedrag dat alleen gebaseerd is op de grootte van de aansluiting en onafhankelijk is van het verbruik.

De kosten voor de energielevering zelf bestaat uit een vast en een variabel deel. Het vaste deel is het vastrecht en kost doorgaans een paar euro per maand. Het variabele deel is de zogenaamde kWh-prijs. Daarnaast is er nog sprake van een jaarlijkse ‘teruggave energiebelasting’. Als een consument zelf zonnestroom produceert en verbruikt, dan bespaart zij alleen op de kWh-prijs. Dus niet op vastrecht of netwerkkosten.

De kWh-prijs bestaat vervolgens uit een aantal componenten:

  • Leveringstarief. Dit is het bedrag per kWh dat de energieleverancier krijgt voor het leveren van de elektriciteit. Enkeltarief als dubbeltarief is mogelijk.

  • Energiebelasting. De energiebelasting wordt door de energieleverancier geïnd en aan de Belastingdienst afgedragen.

  • Opslag duurzame energie. De Opslag Duurzame Energie (ODE) is een soort energiebelasting en wordt door het Rijk gebruikt om de SDE+, de subsidieregeling voor duurzame energie, te financieren.

  • BTW. De BTW wordt over de hele nota betaald, dus ook over de energiebelasting en de ODE.

Het grootste deel van de kWh-prijs, zo’n 70%, bestaat dus uit belastingen.

Ontwikkeling van de elektriciteitsprijs

Hoe gaat de elektriciteitsprijs zich ontwikkelen? Het voorgaande maakt duidelijk, dat het maken van een voorspelling lastig is en dat een dergelijke voorspelling met veel onzekerheden gepaard gaat. Laten we de vier componenten nog eens beter bekijken.

Leveringstarief

Het leveringstarief dat energieleveranciers in rekening brengen, hangt af van een groot aantal factoren. Brandstofprijzen, de kostprijsontwikkeling van duurzame energietechnologieën en het Europese energiebeleid zijn doorslaggevende factoren. Daarnaast zorgt de uitwisseling van elektriciteit tussen lidstaten voor lagere elektriciteitsprijzen. De komende jaren zal het leveringstarief naar verwachting niet gaan stijgen, maar dalen. Zie onderstaande tabel met daarin de verwachte ontwikkeling van de groothandelsprijs (baseload; ICE Endex). ECN verwachtte in 2010 nog een gemiddelde elektriciteitsmarktprijs van ca. € 0,062 per kWh in 2020.

Jaar   €/kWh
2015   0,0436
2016   0,0412
2017   0,0399
2018   0,0394

 

Energiebelasting

Hoe de energiebelasting zich gaat ontwikkelen, hangt af van de Rijksoverheid. In onderstaande tabel zijn voor de laatste tien jaar de tarieven in de eerste schijf van de energiebelasting op elektriciteit weergegeven. Vanaf 2010 is het tarief jaarlijks geïndexeerd. In 2009 is het capaciteitstarief ingevoerd en dat is samengegaan met een verhoging van de energiebelasting (ter hoogte van het variabele netbeheertarief) en een verhoging van de heffingskorting (als compensatie). De energiebelasting ontwikkelt zich dus niet autonoom, maar wordt bepaald door het Rijk, die haar kan aanpassen als zij dat nodig vindt. Zo zijn er in het Energieakkoord maatregelen afgesproken die financieel gedekt worden door een verhoging van de energiebelasting in de komende jaren. Aan de andere kant is het mogelijk dat een volgend kabinet besluit om de energiebelasting op elektriciteit stapsgewijs te verlagen en de energiebelasting op aardgas te verhogen.

Jaar   €/kWh
2004   0,0654
2005   0,0699
2006   0,0705
2007   0,0716
2008   0,0727
2009   0,1085
2010   0,1114
2011   0,1121
2012   0,1140
2013   0,1165
2014   0,1185
2015   0,1196
2016   0,1007

 

Opslag duurzame energie

De hoogte van de Opslag Duurzame Energie is tot 2016 bekend (tabel). Deze opslag is gekoppeld aan de uitgaven van het Rijk aan de stimulering van duurzame energie via de SDE+. De komende jaren zal deze opslag blijven stijgen, maar de exacte stijging zal afhangen van de ontwikkeling van de uitgaven aan SDE+-subsidie, en die kunnen mee- of tegenvallen.

Jaar   €/kWh
2013   0,0011
2014   0,0023
2015   0,0036
2016   0,0056

 

BTW

De BTW lijkt een constante factor, hoewel deze in 2012 is verhoogd van 19% naar 21%. De BTW wordt over de gehele nota geheven, dus niet alleen over de leveringskosten maar ook over de energiebelasting en de Opslag Duurzame Energie, dus een verhoging van de energiebelasting en de Opslag Duurzame Energie wordt nog eens extra versterkt door de BTW daarover.

Wat kunnen we op basis van het voorgaande zeggen over de ontwikkeling van de kWh-prijs voor kleinverbruikers met een verbruik van maximaal 10.000 kWh per jaar? Als we ervan uitgaan dat de energiebelasting de komende jaren alleen geïndexeerd wordt, de opslag duurzame energie zich ontwikkelt zoals geprognosticeerd is, de BTW gelijk blijft en de groothandelsprijs tot 2018 daalt en daarna weer stijgt, dan ligt de stijging van de kWh-prijs tot 2020 rond de 2% per jaar. Het is echter de vraag of de verschillende componenten zich ontwikkelen zoals aangenomen. Voor een verbruik van boven de 10.000 kWh gelden andere groeipercentages, omdat het aandeel energiebelasting in de kWh-prijs fors lager is.

Waarmee rekenen?

Het is niet verstandig om in het opstellen van een businesscases uit te gaan van één – vaak te hoog gekozen – groeipercentage per jaar. Verstandiger is het om meerdere scenario’s door te rekenen, bijvoorbeeld één waarin er sprake is van een prijsstijging van 2% per jaar, één van 0% per jaar en één van -2% per jaar. Beleidswijzigingen, bijvoorbeeld in de structuur van de energiebelasting, kunnen het noodzakelijk maken om de prijsontwikkeling nog specifieker in te vullen. Daarnaast is het belangrijk de onzekerheid te benadrukken. Onverwachte ontwikkelingen van de elektriciteitsprijs zijn een belangrijke risicofactor in het project en moeten ook als zodanig benoemd worden.

Afsluitende opmerkingen

  • In het bovenstaande is de focus gelegd op de ontwikkeling van de kWh-prijs. De ontwikkeling van het vastrecht is niet beschreven. In de huidige markt van energieleveranciers zijn er nieuwe spelers die een laag kWh-tarief rekenen, maar een relatief hoog vastrecht. Dat is in het voordeel van huishoudens met een hoog verbruik. Voor huishoudens met een laag verbruik en/of zonnepanelen op het eigen dak, kan een dergelijk contract financieel nadelig zijn.

  • Wanneer er sprake is van een korting op de energiebelasting in het project, dan moet goed beseft worden dat de korting zelf waarschijnlijk niet geïndexeerd wordt. In dat geval werkt een stijging van de elektriciteitsprijs niet op dezelfde manier door zoals beschreven.

Wanneer er sprake is van een SDE+ in het project, dan wordt het subsidiebedrag gebaseerd op het verschil tussen het basisbedrag (= kostprijs) en het correctiebedrag (= gemiddelde marktprijs elektriciteit). Een stijging van de (kale) elektriciteitsprijs heeft dan geen invloed op de rentabiliteit van het project.

 

Dit artikel is geschreven door Henri Bontenbal (Buro Bontenbal).