Alle gemeenten moeten in 2021 een Transitievisie Warmte hebben gemaakt. Een belangrijk onderdeel daarvan is een zo geheten technisch-economische analyse per wijk van het meest aantrekkelijke alternatief voor aardgas. Maar verschillende analyses leiden vaak tot verschillende uitkomsten. Waarom is dat?

    Gemeenten kunnen per 1 juni 2020 aanspraak maken op €20.660 subsidie voor extern advies bij het maken van deze analyse. Deze subsidie illustreert hoe belangrijk het Rijk deze technisch-economische analyse vindt. De precieze invulling van de regeling wordt gepubliceerd op de website van het Expertise Centrum Warmte (ECW). 

    Tools van het PBL en ECW

    Afgesproken is om de Transitievisie Warmte te maken op basis van de laagste nationale kosten en kosten voor de eindgebruikers. Om de gemeenten hierbij te helpen hebben het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het ECW twee tools ontwikkeld, namelijk de Startanalyse en de Handreiking Lokale Analyse.

    Startanalyse PBL

    De Startanalyse biedt gemeenten een hulpmiddel bij het maken van een passende keuze om aardgasvrij te worden. Het is een technisch-economische analyse van vijf aardgasloze warmtestrategieën en geeft voor vijf hoofdstrategieën op buurtniveau de nationale kosten weer. De vijf strategieën zijn:

    1. de individuele elektrische warmtepomp
    2. een warmtenet met midden- tot hoge temperatuur bron
    3. een warmtenet met lage temperatuur
    4. hernieuwbaar gas met een hybride warmtepomp
    5. hernieuwbaar gas met HR-ketel 

    PBL heeft van de eerste drie strategieën ook varianten uitgewerkt en wijst er ook op dat de mogelijkheden niet zijn beperkt tot deze strategieën; gemeenten kunnen binnen een buurt ook andere opties of combinaties van opties selecteren om in hun Transitievisie Warmte nader uit te werken.

    Het is de bedoeling om in de tweede versie van de startanalyse ook de kosten voor de eindgebruiker in kaart te brengen.

    De Handreiking Lokale Analyse

    De Handreiking Lokale Analyse van het ECW is bedoeld om de Startanalyse aan te vullen om zo tot een specifieke, lokale analyse te komen. Lokaal is mogelijk meer kennis beschikbaar over de beschikbaarheid van warmtebronnen, de tijdige beschikbaarheid van energie-infrastructuur, specifieke informatie over de mogelijkheden van geothermie, eventuele beschikbaarheid van groen gas in de regio, de investeringskosten in nieuwe infrastructuur, kansen om de aanleg van nieuwe infrastructuur te koppelen aan andere infrastructuur en de omvang en de aard van de warmtevraag van utiliteitsgebouwen.

    Duurzaam gas

    PBL heeft in de Startanalyse ook gerekend aan de mogelijkheden van groen gas. Hun conclusie is dat  in een groot aantal buurten de hybride warmtepomp met groengas de goedkoopste strategie zal zijn.

    Maar dat kan niet overal vanwege de beperkte beschikbaarheid. Op dit moment vinden deskundigen, aldus PBL, het realistisch te rekenen met 2 miljard m3 groengas die in 2050 beschikbaar is voor de gebouwde omgeving. Hiervan zal ongeveer 0,5 miljard m3 nodig zijn voor hulpketels bij warmtenetten. De resterende 1,5 mrd m3 kan worden gebruikt voor verwarming van gebouwen waar verwarming met andere technieken buitensporig duur zou worden. PBL komt uit op 2312 buurten waar dit zou kunnen. Dat is  ruim de helft van het aantal buurten (4391) waar de hybride warmtepomp met groen gas of een CV-ketel met groen gas de goedkoopste optie is.

    Uitkomsten kunnen verschillen

    In de praktijk maken ook veel gemeenten bij het opstellen van de Transitievisie Warmte gebruik van adviesbureaus voor het maken van een lokale analyse. Dit zijn onder andere CE Delft, Overmorgen, Quintel, Berenschot, RHDHV en DWA.

    In de praktijk zien we dat verschillende modellen deels kunnen leiden tot robuuste uitkomsten voor bepaalde wijken. Dit is in ongeveer een kwart van de wijken het geval. Er zijn ook veel wijken, waar de modellen tot verschillende uitkomsten leiden. In een studie voor de gemeente Groningen hebben CE Delft en Quintel onderzocht wat daarvan de mogelijke oorzaken zijn.

    Het omgevingsscenario bepaalt al veel

    Beide modellen werken met een omgevingsscenario waarin veronderstellingen worden gedaan over de beschikbaarheid van groen gas, de uitrol van zonnepanelen en de beschikbaarheid van warmtebronnen, zoals restwarmte en geothermie. Een paar belangrijke punten:

    • De aanname over de beschikbaarheid van groen gas is heel bepalend voor de uitkomst. Hoe meer groen gas, hoe meer wijken kiezen voor hybride warmtepompen of HR-ketels. Ook de aanname over de al dan niet beschikbaarheid van groene en of blauwe waterstof kan de uitkomst behoorlijk bepalen. 
    • Hoge aannames over zon-pv betekenen dat de totale piekbelasting op het elektriciteitsnet ongeveer verdubbelt. Omdat er in de tijd nauwelijks een relatie is met de extra stroomvraag van all electric oplossingen, hoeft in deze situatie een eventuele noodzakelijke verzwaring van het elektriciteitsnet niet te worden toegerekend aan een all electric oplossing wat all electric weer aantrekkelijker maakt.
    • Grotere beschikbaarheid van restwarmte en geothermie leiden automatisch tot meer warmtenetten.

    Aannames over de verschillende opties en energieprijzen zijn belangrijk

    Een opvallende conclusie is dat in veel buurten de jaarlijkse kosten van warmtenet en all electric-oplossingen liggen dicht bij elkaar liggen, en dat de uitkomst dus gevoelig is voor aannames over kosten die betrekking hebben op deze technologieën. De grotere onzekerheden zitten o.a. in de verwachte kostenontwikkelingen (leercurves) voor warmtetechnieken, de verwachte kostenontwikkeling van elektriciteit, groengas, en andere energiedragers en de kosten van de energie-infrastructuren (E, G, W).  Deze kosten zijn fundamenteel onzeker, dus dit betekent dat voor een deel van de buurten het niet mogelijk is om met het model een zekere uitspraak te doen over die buurten.

    Ook specifieke aannames over de verschillende opties kunnen van grote invloed zijn. Een mooi voorbeeld hiervan is de opbrengst van de hybride warmtepomp in woningen van vóór 1980 : welk deel van de warmtevraag kan met de warmtepomp worden ingevuld, en welk deel van de warmtevraag zal met de ketel gedaan worden? 

    Modellen kunnen de toekomst niet volledig uitrekenen

    Het rekenen met modellen geeft handvatten om de discussies te voeren, maar voor een warmtetransitieplan is meer nodig dan een modelberekening. Per buurt moet nader gekeken gaan worden naar bijvoorbeeld corporatiebezit, netwerk en infrastructuur, draagvlak ook in relatie tot sociale aspecten, betaalbaarheid en stimuleringsmogelijkheden, bestaande initiatieven in de wijk. De gemeente, de bewoners, corporaties, installateurs, bedrijven, financiers, netbeheerders en andere stakeholders kunnen met het openingsbod aan de slag om uiteindelijk samen de ‘Transitievisie Warmte’ te maken.

    Stedin werkt met meerdere omgevingsscenario’s

    Een belangrijke reden waarom uitkomsten kunnen verschillen is dat verschillende modellen uitgaan van verschillende omgevingsscenario’s (of toekomstbeelden). Om dit inzichtelijk te maken heeft Stedin het openingsbod warmtetransitie gepresenteerd. Daarbij heeft Stedin niet alleen gerekend met de modellen van het PBL, CE Delft en Quintel. Bij het rekenwerk is ook gekeken naar drie verschillende toekomstbeelden met betrekking tot de beschikbaarheid van duurzaam gas, aardwarmte en restwarmte.

    Drie toekomstbeelden

    Het Openingsbod Warmtetransitie van Stedin rekent met drie verschillende energietoekomsten:

    • Ruim warmte en ruim gas
      In deze toekomst is duurzaam gas (groen gas of waterstof) ruim beschikbaar voor gebouwen en woningen. Voor warmtenetten zijn aardwarmte en restwarmte ruim beschikbaar.
    • Ruim warmte en beperkt gas
      In deze toekomst is duurzaam gas (groen gas of waterstof) beperkt beschikbaar voor gebouwen en woningen. Voor warmtenetten zijn aardwarmte en restwarmte ruim beschikbaar.
    • Beperkt warmte en beperkt gas
      In deze toekomst is duurzaam gas (groen gas of waterstof) beperkt beschikbaar voor gebouwen en woningen. Voor warmtenetten zijn aardwarmte en restwarmte beperkt beschikbaar.

    Isolatie

    In het Openingsbod kijkt Stedin ook hoeveel isolatie wenselijk is. Hiervoor gelden drie uitgangspunten:

    • Voor lagetemperatuurtechnieken hebben woningen minimaal schillabel B nodig, anders worden de woning niet comfortabel warm op koude dagen. 
    • Voor middentemperatuurtechnieken hebben woningen minimaal schillabel E nodig, anders worden de woning niet comfortabel warm op koude dagen.
    • We isoleren alleen als de kosten van isolatie zich terugverdienen door lagere energiekosten

    Zekere en indicatieve buurten

    Het voordeel van deze aanpak is dat er een aantal zekere buurten in beeld komt, waar de uitkomst onder alle verschillende denkbare omstandigheden hetzelfde is. Dit blijkt te gelden voor ongeveer 10% van de buurten. Daarnaast kan ongeveer 15% van de buurten als redelijk zeker – indicatief - worden beschouwd. Alle andere buurten zijn op dit moment nog ‘onzeker’.

    Het beeld van de zekere en indicatieve buurten voor de verschillende technieken ziet er samengevat als volgt uit.:

    • Buurten met uitkomst warmtenet zijn vooral stedelijke buurten met hoge bebouwingsdichtheid.
    • Buurten met uitkomst all-electric zijn met name buurten met bebouwing vanaf het jaar 2000 en met matige bebouwingsdichtheid.
    • Buurten met uitkomst duurzaam gas/hybride zijn overwegend landelijke buurten met lage bebouwingsdichtheid.

    Het ligt voor de hand om in deze buurten als eerste aan de slag te gaan.

    Op de website van Stedin is meer informatie te vinden over het onderzoek en een kaart waar de zekere en indicatieve buurten zich bevinden in het verzorgingsgebied van Stedin en Enduris.

    Kosten eindgebruiker mogelijk cruciaal

    Bij al deze rekenpartijen is het goed om je te bedenken dat bewoners en verhuurders beslissen wat er in hun woning(en) gebeurt. In de praktijk zullen de kosten voor de eindgebruiker (en de daaraan gekoppelde ingrepen in de woning) van invloed zijn op de uitkomst per wijk. Die kosten verschillen van enkele duizenden euro’s bij duurzaam gas en warmtenetten tot tienduizenden euro’s bij individuele all electric oplossingen. Bewoners, woningcorporaties en particuliere verhuurders zullen dit zeker meenemen in hun afweging.