Het nieuwe kabinet zal naar de huidige doelstelling van 49% verhogen naar 55% minder broeikasgas in 2030 en nul uitstoot in 2050 zoals de Europese Commissie wil. Het rapport ‘Bestemming Parijs’ van de ambtelijke studiegroep brengt in kaart welke keuzes het nieuwe kabinet zal moeten maken om dit doel in kaart te brengen.

Deze keuzes zijn inzichtelijk in kaart gebracht in een afvinklijst van 21 vragen voor de kabinetsformatie. Daarbij gaat het onder andere over de verdeling van de doestelling tussen de sectoren die onder het Europese emissiehandelsysteem vallen (industrie, elektriciteit) en de andere sectoren, de vraag of je voortbouwt op het Klimaatakkoord of opnieuw begint, de opstelling tegenover controversiële onderwerpen als biomassa, CO2-afvang en -opslag (CCS), en kernenergie, en de beschikbare financiële middelen. Het gaat ook over het opvangen van de sociale gevolgen. De teneur daarbij is dat zeker biomassa en CCS nodig zijn. Zo stelt het rapport: “Aanvullende restricties op inzet van biogrondstoffen maakt realisatie van een verhoogde ambitie in de gebouwde omgeving onaannemelijk” en “Opslag van biogene CO2 is onmisbaar voor klimaatneutraliteit”.

Wat betreft de gebouwde omgeving stelt de studiegroep drie concrete vragen:  wel/niet normeren van bestaande bouw (bijvoorbeeld via minimumeisen voor woningisolatie en warmte-installaties); wel/geen verhoging energiebelasting op gas en zijn daarvoor wel/niet extra subsidiemiddelen beschikbaar; blijft ‘woonlastenneutraal’ het uitgangspunt, of wordt het ‘betaalbaar’?

Tijdens het webinar 55% minder uitstoot: Vele routes met ‘Bestemming Parijs’ van het voortgangsoverleg Klimaatakkoord benadrukten alle aanwezigen het grote belang van nul uitstoot in 2050. Dat is een volstrekt heldere stip aan de horizon, die ook door moet werken naar de maatregelen tot 2030.  Ook was er brede overeenstemming dat we harder omlaag moeten dan nu. Pieter Boot, hoofd Klimaat bij het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), vatte de discussie over 2030 als volgt samen: “Hoe dat hogere doel wordt gerealiseerd, dát is het moeilijkst. Voortbouwen op het lopende Klimaatakkoord ligt voor de hand. Extra beprijzen van CO2-uitstoot is dan het meest effectief, samen met strengere normering van bijvoorbeeld auto’s. Subsidies blijven nodig om de internationaal concurrerende sectoren zoals industrie en landbouw te helpen. Met aanleggen van infrastructuur kan je al beginnen. Die extra infrastructuur (voor bijvoorbeeld duurzame elektriciteit, warmte, waterstof en groen gas, red.) heeft iedereen zo tóch nodig. En wellicht moet dat betaald worden uit algemene middelen, zoals ook secretaris-generaal Ongering van EZK in haar Nieuwjaarsartikel bepleit.

Met name Frans Rooijers (CE Delft) gaf aan dat hij de keuze voor beleidsinstrumenten in het rapport te kort door de bocht vindt. Hij was geen voorstander van het voorstel voor een norm voor bestaande woningen. Dat zou in zijn ogen alleen maar leiden tot fors hogere kosten en in de praktijk ook niet controleerbaar zijn. In plaats daarvan pleitte hij voor de invoering van een jaarlijks dalend CO2-budget voor de hele gebouwenvoorraad en daarop te sturen.