De provincies of gemeenten zijn het bevoegd gezag voor de vergunningverlening voor windparken (Omgevingswet, ruimtelijke ordening). De provincie geeft aan op welke zoeklocaties windontwikkeling in principe mogelijk is. Afhankelijk van de omvang van een windpark en onderlinge afspraken, besluit de provincie of de gemeente of ze planologisch medewerking verlenen aan een windinitiatief. Om een zorgvuldig besluit te kunnen nemen, stellen de overheden eerst een beleidsvisie en toetsingskader voor windenergie vast.

De afgelopen jaren hebben veel gemeenten windvisies en toetsingskaders vastgesteld. Sinds 2015 nemen veel gemeenten daarin ook maatschappelijke voorwaarden op, met name over participatie van omwonenden. De NWEA Gedragscode Acceptatie & Participatie Windenergie op Land uit 2014 is daarbij vaak richtinggevend.

Voorkeur voor een coöperatieve aanpak en lokaal eigendom

De Limburgse gemeenten Leudal, Peel en Maas, Weert en Nederweert waren een van de eersten die uitgangspunten formuleerden met een voorkeur voor coöperatieve aanpak (in 2015). Dat dit een grote impact heeft, blijkt uit de snelle ontwikkeling van coöperatieve windparken in deze regio: er worden naar verwachting vijf burgerwindparken in 2020/2021 in productie genomen. De coöperaties ontwikkelen de windparken zelfstandig of in gelijkwaardig partnerschap met anderen, met 25% tot 100% lokaal eigendom.

Ook in Noord-Brabant legden de overheden en ontwikkelaars afspraken vast over lokaal eigendom voor het Project Windenergie A16. In het Convenant Energie A16 (2015, herzien 2019) is als voorwaarde gesteld dat “25% van de windmolens in lokaal eigendom komt, waarvan de winst ten goede komt aan nieuwe energieprojecten van de lokale gemeenschap”.

Met het (ontwerp) Klimaatakkoord en de Regionale Energiestrategieën (RES) zien we ook steeds vaker het ‘streven naar eigendom van de lokale omgeving’ terugkomen. Zo stelt de gemeente Hilvarenbeek in haar Visie Grootschalige Opwek (VGO) en kaders van 2019: “We streven naar een evenwichtige eigendomsverdelingen waarbij 50% van de productie eigendom is van de lokale omgeving (burgers en bedrijven).”

Vergelijkbare kaders van gemeenten met voorkeur voor coöperatie, en/of lokaal eigendom zijn bekend uit Vlaardingen (2017), Bodegraven-Reeuwijk (2017), Voorne-Putten (2018) en Staphorst (2018). De laatste twee beschrijven we hieronder als voorbeeld.

Voorwaarden aan medewerking realisatie 12 MW windenergie in Staphorst (2018)

“Initiatieven voor het realiseren van windenergie, waaraan de raad van de gemeente Staphorst planologische medewerking verleent, dienen aan de volgende voorwaarden te voldoen: […] d.) de initiatieven moeten voorzien zijn van een goede ruimtelijke onderbouwing, maximaal (100%) economisch coöperatief zijn, een zo breed mogelijk draagvlak hebben en geen overlast veroorzaken; en e.) indien geen der initiatieven voldoet aan de onder d. geformuleerde voorwaarde ten aanzien van economisch coöperatief, dan dient het initiatief minimaal 60% coöperatief te zijn; […]”

Leidraad Windenergie Voorne-Putten (2018)

“Er zijn randvoorwaarden benoemd voor de ontwikkelaars van de windlocaties voor:

  • Procesparticipatie: inwoners en lokale partijen dienen actief betrokken te worden bij plannen.
  • Financiële participatie: er dient een gebiedsfonds opgericht te worden voor de omgeving en inwoners moeten financieel mee kunnen profiteren van het windpark.
  • Leefkwaliteit: bij het ontwerp van een windpark wordt, met inachtneming van de minimaal te realiseren opgave en de aangewezen locatie, gestreefd naar beperking van de overlast voor omwonenden.”

“Gestreefd wordt om windprojecten zoveel mogelijk in eigendom van lokale en/of regionale partijen en inwoners te laten komen.”

"Initiatiefnemers zijn verplicht minimaal 25% van ieder windpark ter beschikking te stellen aan een regionale energiecoöperatie voor mede-eigenaarschap of financiële deelneming. Zoals hiervoor is aangegeven is het streven erop gericht om een zo groot mogelijk aandeel van het windpark in lokaal eigendom te laten ontwikkelen. De genoemde 25% is daarom een ondergrens. In het Klimaatakkoord van 2018 wordt gesteld dat dit percentage in 2030 tot 50% vergroot dient te zijn. De samenwerkende gemeenten op Voorne-Putten zullen meegaan met deze lijn."

Leidraad voor de definitie van eigendomsparticipatie, ook wel mede-eigenaarschap genoemd: “Individuele burgers en/of omwonenden kunnen met eigendom en zeggenschap financieel deelnemen in een windpark. Dit kan op basis van een windvereniging of coöperatie, of door middel van het bouwen van een molen die toekomt aan de lokale gemeenschap. Bij mede-eigenaarschap is er dus niet alleen sprake van financiële deelneming: lenen of, of beleggen, maar ook van daadwerkelijk eigenaarschap en zeggenschap.”

Foto: Herman Maas

Dit artikel is gebaseerd op de Lokale Energie Monitor 2019, pagina 59-60.