Een coöperatief windpark komt niet zomaar van de grond. Sterker nog: zonder nauwe samenwerking tussen energiecoöperatie, gemeente en ontwikkelaar zijn dergelijke projecten gedoemd te mislukken. Bij windpark Koningspleij in Arnhem verliep de samenwerking goed, maar uitdagingen waren er ook. Wat waren de belangrijkste geleerde lessen?

Koningspleij in het kort

Windpark Koningspleij is een windpark op land, bestaande uit vier windmolens die in lijnopstelling langs de Pleijroute in Arnhem staan. Drie van de vier windmolens werden gerealiseerd door Rijn en IJssel Energiecoöperatie en ontwikkelaar Prowind (met de ondersteuning van Gemeente Arnhem). De vierde windmolen zal stroom opwekken voor industriepark Kleefse Waard en wordt momenteel gerealiseerd door energieleverancier Pure Energie.

Als de vierde windmolen eenmaal operationeel is, is windpark Koningspleij in principe klaar. Toch ziet Derk te Bokkel, bestuurslid van Rijn en IJssel Energiecoöperatie en vertegenwoordiger van het windpark, nieuwe mogelijkheden voor de toekomst: “We denken bijvoorbeeld na over het plaatsen van een batterij. Of wellicht is het mogelijk om het windpark te koppelen aan een laadplein voor elektrische auto’s. Dat zijn interessante combinaties, waarmee je belangrijke infrastructuur creëert voor de energietransitie.”

Een coöperatief windpark

De eerste drie windmolens van Windpark Koningspleij werden samen met inwoners van Arnhem gerealiseerd. Om precies te zijn: 566 inwoners participeren via de energiecoöperatie in het windpark en zijn daarmee mede-eigenaar. Naar verwachting levert hen dat een rendement van 6 procent op, over een looptijd van 20 jaar. Daarnaast gaat een deel van de opbrengsten naar een omgevingsfonds. Om precies te zijn: voor elke opgewekte megawattuur gaat 50 eurocent naar het fonds (zo’n 16.000 euro per jaar). Daarmee worden duurzame bewonersinitiatieven gefinancierd.

Ongeveer twee derde van het windpark (twee windmolens dus) is in bezit van bewoners. Waarom niet de volle honderd procent? Te Bokkel: “De vraag die je je als energiecoöperatie moet stellen is: wil je volledig zelfstandig een windpark bouwen exploiteren en onderhouden, zonder de hulp van professionals? Voor ons was het antwoord ‘nee’. De samenwerking met (en kennis en expertise van) Prowind stelde ons juist in staat om dit te doen.”


“Zorg dat je vanaf het begin al financieel sterk staat, zodat je iets in te brengen hebt.””

– Derk te Bokkel, bestuurslid Rijn en IJssel Energiecoöperatie

 

Energiedoelstellingen behalen

Windpark Koningspleij kwam niet zomaar tot stand. De eerste contouren ervan werden zelfs in 2010 al geschetst. Provincie Gelderland liet toentertijd een scan uitvoeren door DNV GL (toen nog KEMA) voor geschikte windenergielocaties in de provincie. Daar kwam de locatie van Windpark Koningspleij als mogelijke optie uit.

Marion Visser, deelprogrammamanager grootschalige opwek bij de gemeente Arnhem: “In een later stadium vroegen wij stedelijke partners om met ideeën te komen voor het behalen van onze energiedoelstellingen, via het programma New Energy Made in Arnhem. Een ondernemer uit de regio opperde toen het oprichten een energiecoöperatie, om (het liefst coöperatief) windmolens te bouwen.”

“In 2013 besloot de gemeenteraad om de beoogde grond inderdaad beschikbaar te stellen voor windenergiedoeleinden”, vervolgt Visser. “De volgende dag stond diezelfde ondernemer weer bij ons op de stoep met de plannen. Dat waren de eerste stappen richting windpark Koningspleij.”

Rechten veilig stellen

Deze beginfase bracht meteen een aantal belangrijke uitdagingen en lessen met zich mee, zowel voor de gemeente als de energiecoöperatie. Bij de oprichting van Rijn en IJssel Energiecoöperatie bleven de afspraken tussen de initiatief-nemende ondernemer en de energiecoöperatie bijvoorbeeld vaag. Achteraf gezien bleek dat een fout, zegt Te Bokkel:

“Energiecoöperaties gaan vaak enthousiast aan de slag en vergeten dan het zakelijke aspect van wat ze aan het doen zijn. Maar het is juist in die beginfase essentieel om daar harde afspraken over te maken en je eigen rechten veilig te stellen. Dat kan best lastig zijn, zeker wanneer je als bewonersinitiatief financieel (nog) niet sterk staat en geen risicodragend vermogen hebt. Vaak geldt: wie betaalt, bepaalt. Mijn advies aan andere energiecoöperaties is dan ook om ervoor te zorgen dat je vanaf het begin al financieel sterk staat, zodat je iets in te brengen hebt.”

Ook voor de gemeente Arnhem was de beginfase uitdagend. De gemeenteraad besloot namelijk dat de bouw van windparken vooral aan de markt moest worden overgelaten. “We moesten op onze handen zitten en konden alleen op een hele lichte manier faciliteren”, aldus Visser.

Daardoor was de rolverdeling in eerste instantie als volgt: de ontwikkelaar was verantwoordelijk voor het opleveren van de plannen, het regelen van de bouwvergunning, het uitvoeren van de benodigde onderzoeken, noem maar op. De energiecoöperatie nam het informeren en betrekken van bewoners voor zijn rekening. De gemeente nam alle plannen en procedures in behandeling en had een privaat-rechterlijke rol als grondeigenaar.


“Goede samenwerking is onmisbaar bij het realiseren van een coöperatief windpark

Marion Visser (gemeente Arnhem) & Derk te Bokkel (Rijn en IJssel Energiecoöperatie)

Pionieren in de energietransitie

De beginperiode werd opgevolgd door een periode die minstens net zo uitdagend was voor Rijn en IJssel Energiecoöperatie. De realisatie van het windpark was namelijk in volle gang, maar parallel aan dat proces moest de kersverse energiecoöperatie groeien en professionaliseren.

“Wat begon als een klein groepje enthousiastelingen moest een volwassen platform worden”, aldus Te Bokkel. De uitdagende vraagstukken volgden elkaar snel op. Hoe neem je als energiecoöperatie een aandeel in een windpark en hoe regel je dat financieel? Hoe betrek je inwoners? En hoe ga je om met weerstand tegen de plannen?

“Maar je moet ook goedkeuringen en verklaringen van geen bezwaar hebben van financiële toezichthouders. En dat betekent dat je aan bepaalde kwaliteitseisen moet voldoen. Daarnaast moet je over een financiële drempel heenkomen, zodat je je als organisatie kan onderhouden”, vervolgt hij. “Professionaliseren op grote schaal dus en dat was best lastig, zeker toen. Nu zijn er allerlei richtlijnen en kennisdocumenten, maar toen was het pionieren. Je deed het echt op boerenverstand.”

De kracht van een omgevingsraad

Ook in die periode werden er veel belangrijke lessen geleerd. Bijvoorbeeld dat je niet te vroeg moet beginnen met het werven van voorinschrijvers. “Want die raak je ook weer kwijt als het te lang duurt”, zegt Te Bokkel. “Wij waren al druk aan het werven, maar kregen toen te maken met een procedure bij de Raad van State die twee jaar duurde. Bewoners en bedrijven hadden bezwaar aangetekend tegen het windpark omwille van geluidshinder, slagschaduw, visuele hinder en mogelijke vogelsterfte.  Dan moet je op je handen zitten en haken mensen ook weer af. Zorg er dus voor dat het werven en daadwerkelijke inschrijven kort op elkaar zitten.”

Daarnaast werd de waarde van een omgevingsraad ontdekt. Visser: “Die werd opgericht om bewoners de kans te geven om hun zorgen te uiten en mee te denken. Zo heeft de omgevingsraad advies gegeven aan de ontwikkelaar over de windturbinekeuze, met name op het gebied van geluid en slagschaduw. De turbine die de raad adviseerde, is het uiteindelijk ook geworden. Die kans om invloed uit te oefenen op het windpark hielp erg mee bij de acceptatie door omwonenden.”

Ook nu speelt de omgevingsraad een rol van waarde, vervolgt ze: “Nu de windmolens draaien, komen er opbrengsten in het omgevingsfonds terecht. Die financiële middelen komen ten goede aan bewonersinitiatieven binnen de ‘hindercirkel’ van het windpark. Een voorbereidings- en beoordelingscommissie vanuit de omgevingsraad zorgen er voor dat dit op zorgvuldige wijze gebeurt.”


“Zorg ervoor dat het werven en daadwerkelijke inschrijven kort op elkaar zitten”

Derk te Bokkel (Rijn en IJssel Energiecoöperatie)

Projectleider van de gemeente

De laatste periode stond in het teken van regelen, regelen en regelen van praktische zaken. Gemeente Arnhem had inmiddels meer mogelijkheden om de realisatie van het windpark te faciliteren en stelde daarvoor een projectleider aan. Dat bleek een gouden greep. Te Bokkel schakelde tijdens deze periode bijna wekelijks met de projectleider, om allerlei praktische uitdagingen te tackelen.

“Je loopt tegen zoveel omgevingsthema’s aan die je als civiele partij niet zomaar kan oplossen”, zegt hij. “Een contactpersoon bij de gemeente, die de weg weet binnen het ambtelijke apparaat, is dan onmisbaar. Anders loopt je project geheid vertraging op.”

Er moest bijvoorbeeld onderzoek naar explosieven gedaan worden, voordat de bouw van het windpark überhaupt kon beginnen. En voor het transport van de grote turbinedelen moesten wegen afgezet worden en rotondes tijdelijk ontmanteld worden. Daarnaast lag er op de locatie van één windmolen nog een gronddepot, dat moest worden verwijderd voordat de fundering kon worden gelegd.

Visser: “Dan moet er toestemming gegeven worden om de grond af te voeren, dan heb je contacten nodig bij de grondbank en regionale depots, noem maar op. Met andere woorden: er moet dan iemand zijn die weet wat er moet gebeuren en snel kan schakelen tussen de verschillende betrokken partijen, anders kom je in de knel met de planning. Die persoon hebben energiecoöperaties niet, maar gemeenten wel.”

Lange adem

Terugkijkend op het gehele proces zijn Visser en Te Bokkel het erover eens: goede samenwerking is onmisbaar bij het realiseren van een coöperatief windpark. En gemeente, ontwikkelaar en energiecoöperatie zijn alle drie onmisbare partijen. “Zonder gemeente geen toestemming om een windpark te bouwen, zonder ontwikkelaar geen windpark en zonder energiecoöperatie geen coöperatief windpark”, aldus Visser. “Zo simpel is het.”

“En de kwaliteit van de samenwerking tussen die drie bepaalt de kwaliteit van het project”, voegt Te Bokkel toe. “Daarnaast is een flinke dosis geduld en uithoudingsvermogen onmisbaar. Wij gaan inmiddels naar de vierde generatie bestuursleden. Dat illustreert dat je een héle lange adem moet hebben.”