In dit artikel wordt de regeling Verlaagd Tarief bij collectieve opwek (per 1-1-2014) in het kort toegelicht. Deze regeling wordt ook wel de postcoderoosregeling genoemd. Deze regeling geldt voor kleinverbruikers die samen eigenaar zijn van een productie-installatie en die in de zogenaamde postcoderoos van deze productie-installatie wonen. De verlaging van het tarief van de eerste schijf tot nihil wordt toegepast op de persoonlijke energierekening van de leden, tot het eigen verbruik (maximaal 10.000 kWh per jaar). Leden hebben met deze regeling lagere kosten en de coöperatie heeft inkomsten van de verkochte stroom.

Leden van coöperaties en Verenigingen van Eigenaren komen in aanmerking voor een belastingkorting. Was er bij aanvang van de regeling nog sprake van een korting van 7,5 cent/kWh, per 1-1-2016 is er sprake van een verlaging van het tarief van de eerste schrijf voor elektriciteit tot nihil voor hun gezamenlijk opgewekte hernieuwbare energie. 

1.1 Waarom deze regeling?

Het kabinet wil met deze regeling de lokale duurzame opwekking van elektriciteit stimuleren. Achterliggend idee is dat daarmee niet alleen een bijdrage wordt geleverd aan de doelstelling voor duurzame energie, maar ook aan een groter draagvlak voor duurzame energie. Burgers worden immers zelf producent. Bovendien zorgt de regeling voor energiebewustzijn, waardoor burgers ook meer gaan letten op energiebesparing. In de toekomst leidt de regeling mogelijk tot minder netgebruik, omdat minder transport van elektriciteit nodig is.

Tot nu toe konden alleen burgers en kleinere bedrijven, die op eigen terrein of dak duurzame elektriciteit kunnen opwekken, gebruik maken een verlaging van de energiebelasting. Met de regeling Verlaagd Tarief maakt het kabinet dit ook mogelijk voor burgers en kleinere bedrijven zónder geschikt eigen dak of terrein.

1.2 Welke collectieven komen in aanmerking voor de regeling verlaagd tarief?

Coöperaties en Verenigingen van Eigenaren (VvE). Het betreft hier doorgaans collectieven die rondom een productie-installatie zijn georganiseerd. Waar in de teksten in het HIER opgewekt Kennisdossier Verlaagd Tarief ‘coöperatie’ is genoemd, wordt daaronder mede verstaan een Vereniging van Eigenaren. De collectie­ven moeten wel aan een aantal eisen vol­doen. En wellicht ten overvloede: de coöperatie/VvE komt niet zelf in aanmerking voor het verlaagd tarief.  Dit recht hebben alleen haar leden. Om in aanmerking te komen voor de regeling dient de coöperatie een aanwijzing te hebben van de Belastingdienst.
Lees meer hierover in vraag 2.5 in de veelgestelde vragen over Juridische aspecten

1.3 Wie kan profiteren van de regeling verlaagd tarief?

Het verlaagde belastingtarief is bedoeld voor leden van een coöperatie die gevestigd zijn in de postcoderoos. De regeling geldt ook voor leden van VvE’s met een eigen productie-installatie, mits deze is geplaatst op het gebouw of de grond van de betreffende VvE. Per 1-1-2015 is de regeling aangepast en kunnen ook bedrijven lid worden van een coöperatie en in aanmerking komen voor de korting. Deze aanpassing geldt met terugwerkende kracht tot 1-1-2014 en is dus ook van toepassing voor tussen 1-1-2014 en 1-1-12015 opgerichte coöperaties. Restrictie: elke ondernemer mag maximaal 20% van het totale kapitaal van de coöperatie inbrengen. Lees meer over de eisen aan de leden van het collectief in vraag 2.5 en 2.7 in de veelgestelde vragen over Jurdische Aspecten

1.4 Wat gebeurt er als je als coöperatie meerdere productie-installaties binnen een zelfde postcodegebied hebt?

In beginsel wordt door de Belastingdienst voor elke productie-installatie een afzonderlijke beschikking gegeven. Dat is nodig om in de beschikking aan te kunnen geven, wat de postcodegebieden zijn waarbinnen leden van de coöperatie voor het verlaagde tarief in aanmerking kunnen komen.

Als de coöperatie binnen één en hetzelfde postcodegebied meerdere productie-installaties heeft waarmee dezelfde soort duurzame energie wordt opgewekt, kunnen deze in de beschikking worden samengenomen en als één productie-installatie worden aangemerkt, omdat de postcodegebieden waarbinnen leden voor het verlaagde tarief in aanmerking kunnen komen, voor die installaties hetzelfde zijn (UR BoM artikel 19a7). Een nadeel van deze constructie is eventuele 'besmetting': Als één installatie niet 'lukt' kan die de andere installaties meetrekken.

In plaats van de productie-installaties samen te voegen in de beschikking, kan de coöperatie er ook voor kiezen om per installatie een zogenaamde satelliet coöperatie op te richten en deze samen te brengen in een koepel-coöperatie. 
Met deze constructie kunnen de administratieve lasten ook worden gedeeld, wordt de schaal van het project groter (kostenvoordeel) én wordt voorkomen dat installaties elkaar kunnen besmetten.

Raadpleeg voor meer informatie veelgestelde vragen over de Locatie van de productie-installatie

1.5 Wat gebeurt er als je als coöperatie meerdere productie-installaties binnen verschillende postcodegebieden hebt?

Per productie-installatie dient een aanwijzing van de Belastingdienst te worden verkregen. Een coöperatie kan voor meerdere installaties aanwijzingen krijgen. Deze installaties hoeven niet in hetzelfde postcodegebied te liggen. Lastig is dat dan zeer zorgvuldig gekeken moet worden van welke installatie de leden van de coöperatie hun stroom toegerekend krijgen (liggen de aansluitingen van de installatie en het lid namelijk niet in dezelfde postcoderoos, dan geldt geen verlaagd tarief). Dit kan leiden tot een toename van de administratieve lasten.

Beter kunnen de leden van de bestaande coöperatie dan voor elke productie-installatie een aparte ‘satelliet-coöperatie’ oprichten. De bestaande coöperatie wordt dan een koepel-coöperatie. De verwachting is dat dit ook een uitkomst biedt voor (grote) bestaande coöperaties die niet voldoen aan de eisen van de regeling (bijvoorbeeld omdat een bedrijf voor meer dan 20% in de cooperatie deelneemt). Het oprichten van ‘satelliet-coöperaties’ zou ook hier uitkomst kunnen bieden. Lees meer over de satelliet-coöperatie in vraag 2.4 in de veelgestelde vragen over 'Juridische aspecten'. 

1.6 Welke technieken/productie-installaties komen in aanmerking voor de regeling?

De regeling geldt voor elektriciteit die is opgewekt met hernieuwbare energiebronnen. Dat zijn: wind, zonne-energie, aardwarmte, golfenergie, getijde-energie, waterkracht, biomassa, stortgas, rioolzuiveringsgas en biogas.

1.7 Hoe werkt de verrekening?

Kleinverbruikers investeren via een coöpera­tie of VvE in een duurzame elektriciteits­installatie. De opgewekte energie wordt door de coöperatie of VvE verkocht aan een energieleverancier naar keuze. De deelnemende kleinverbruikers krijgen de korting verrekend op hun eigen energierekening. Om deze belastingkorting daadwerkelijk door te kunnen voeren, heeft een energieleverancier gegevens nodig over het aan dit lid toegerekende aandeel opgewekte stroom uit een productie-installatie. De coöperatie is verantwoordelijk voor die toerekening en geeft dat aan de energieleveranciers door via een ledenverklaring. Op basis van deze informatie passen de betreffende leveranciers het verlaagd tarief toe. Lees voor meer informatie over de ledenverklaring vraag 2.17 in de veelgestelde vragen over Juridische aspecten

1.8 Wat is een postcoderoos? 

De zogenoemde postcoderoos werd aanvankelijk (per 1-1-2014) bepaald door het postcodegebied waarin de productie-installatie ligt. De postcoderoos was het postcodegebied waarin de productie-installatie ligt, plus die direct daaraan grenzende postcodegebieden (gebieden waarin alle postcodes dezelfde vier cijfers hebben). Ook postcodegebieden die alleen raken met een 'punt' (bijvoorbeeld in een 'meerpostcodenpunt') horen bij de postcoderoos. Per 1-1-2016 is het begrip postcoderoos verruimd: De installatie hoeft zich niet meer in het midden van een zogenoemde postcoderoos te bevinden maar mag ook in een van de 'blaadjes' gerealiseerd zijn. Dit maakt het voor cooperaties mogelijk om ook locaties voor energieopwekking in de randen van de postcoderoos te benutten (in de wandelgangen wordt al gesproken over de postcoderups). Leden kunnen profiteren van de belastingkorting als ze in de postcoderoos van de productie-installatie wonen. 
Raadpleeg voor meer informatie over de postcoderoos vraag 7.1 in de veelgestelde vragen over Locatie van de productie-installatie.

1.9 Komen huurders in aanmerking voor de regeling? 

Ja, huurders komen in aanmerking mits de huurder  exclusief energiekosten huurt. De huurder moet dus een zelfstandig afnemer zijn van elektriciteit. Het energiebedrijf levert in die situatie namelijk energie aan de huurder en kan het verlaagde tarief toepassen.

1.10 Wat wordt verwacht van het gebruik van de regeling?

Dat moet de praktijk natuurlijk gaan uitwijzen. In het energieakkoord is aangenomen dat – uitgaande van een groei van het aantal deelnemers met zo’n 25.000 per jaar – eind 2017 rond de 100.000 huishoudens van deze regeling gebruikmaken. Uitgangspunt is dat elk lid voor gemiddeld 3.000 kWh elektriciteit per jaar profiteert van het verlaagde tarief.

Postcoderoosregeling

1.11 Wanneer wordt de regeling geëvalueerd en eventueel aangepast?

De regeling wordt 4 jaar na de start (2014) geëvalueerd. Per 1-1-2015 is de regeling aangepast: ook ondernemers kunnen nu lid worden van een coöperatie en gebruik maken van de regeling mits zij niet middelijk of onmiddelijk voor meer dan 20% deelnemen in de coöperatie. Per 1-1-2016 zijn nog een aantal wijzigingen van kracht. Was er bij aanvang van de regeling nog sprake van een korting van 7,5 cent/kWh, per 2016 is er sprake van een verlaging van het tarief van de eerste schrijf voor elektriciteit tot nihil. Ook de definitie van de postcoderoos is aangepast: de productie-installatie hoeft niet meer in het centrum van de postcoderoos te liggen, maar mag ook in een van de andere postcodegebieden in de roos liggen. Hiermee kunnen coöperaties zelf een postcodegebied voor de productie-installatie bepalen. 

1.12 De regeling wordt over vier jaar geëvalueerd. Sluitende business cases rekenen over een langere periode. Hoe zit het met de zekerheid over continuïteit?

De regeling wordt na vier jaarna de start (2014) geëvalueerd. Dit geldt overigens voor alle regelingen. Zowel in het Belastingplan als in het Energieakkoord is expliciet aangegeven dat met het oog op investerings­zekerheid de continuïteit voor bestaande gebruikers moet worden geborgd. Coöperaties kunnen vijftien jaar van de belastingkorting profiteren, ook als een jaar later de kortingsregeling zou worden afgeschaft of het voordeel worden verlaagd. Als het verlaagde tarief komt te vervallen, of als de korting wordt verminderd, kunnen de coöperaties die er al gebruik van maken de resterende jaren van de vijftien jaar na het tijdstip waarop de coöperatie haar aanwijzing ontving, nog van de kortingsregeling gebruik blijven maken.

Een voorbeeld: als een coöperatie in 2014 door de Belastingdienst wordt aangewezen als een coöperatie waarvan de leden recht hebben op de belastingkorting van 7,5 cent per kWh, dan gaat vanaf dat moment de periode van tenminste vijftien jaar in. Wordt de belastingkorting tussentijds door de Kamer afgeschaft of verlaagd, dan kan die coöperatie toch nog tot 2029 van de regeling gebruik blijven maken. Maar zou de belastingkorting in 2029 worden afgeschaft, dan zou diezelfde coöperatie direct zijn recht op korting verliezen, omdat dan al vijftien jaar gebruik is gemaakt van de regeling. Een andere coöperatie die in 2028 voor het eerst voor de regeling in aanmerking komt, zou in dat laatste geval wel nog zijn vijftien jaar na het tijdstip waarop de coöperatie haar aanwijzing ontving, mogen afmaken.
Lees voor meer informatie over de investeringszekerheid vraag 5.9 en 5.10 in de veelgestelde vragen over Financiële aspecten. 

1.13 Hoeveel en welk geld is met deze regeling gemoeid?

De met deze regeling gepaard gaande belastingderving wordt door een verhoging van de energie­belasting voor elektriciteit betaald. Het kabinet heeft echter in het aanvullend pakket structureel 10 miljoen euro voor deze regeling beschikbaar gesteld. Deze 10 miljoen euro is opgenomen in de Miljoenen­nota. Daarmee kan de hiervoor genoemde verhoging van het tarief in de energiebelasting voor elektriciteit worden beperkt en in de eerste jaren zelfs achter­wege blijven. Dat houdt in dat naar verwachting pas in 2017 voor de eerste keer een dergelijke verhoging plaats zal vinden. Deze verhoging bedraagt dan € 0,0003 per kWh. Het is dus een misvatting dat er in totaal maar 10 miljoen euro beschikbaar is om de regeling te financieren.

1.14 Kun je onbeperkt gebruik maken van de regeling?

Deze regeling heeft alleen betrekking op elektriciteit voor eigen gebruik. Dat eigen verbruik is bepalend en ligt voor een gemiddeld huishouden (2,2 personen) op circa 3.500 kWh. Als particulieren voor meer instap­pen dan hun eigen gebruik, zal er dus niet over het gehele aandeel in de productie een korting gelden. Bovendien beperkt de toepassing van het verlaagd tarief zich tot 10.000 kWh (1e schijf).
Dit betekent dat een particulier ook mee kan doen als hij saldeert via opwek op bijvoorbeeld eigen dak, zolang hij zelf maar minder opwekt dan hij gebruikt. 

Een voorbeeld: Een kleinverbruiker verbruikt 5000 kWh. Hij wekt zelf 3000 kWh op achter de meter. Hiervan gebruikt hij direct 1200 kWh en de overige 1800 kWh wordt ingevoed op het net. Van het energiebedrijf heeft hij nog 3800 kWh nodig. Hij leverde eerder 1800 kWh terug, dit mag gesaldeerd worden. Daarnaast kan deze verbruiker voor maximaal 2000 kWh (totale verbruik minus reeds zelfopgewekte energie) deelnemen in een coöperatie om voor de kortingsregeling in aanmerking te komen. 

1.15 Braakliggende (bouw)gronden worden vaak gezien als aantrekkelijke bestemming voor tijdelijke zonneparken. Geldt de regeling dan ook? 

De regeling geldt ook voor tijdelijke zonneparken, maar collectieven moeten dan wel reke­ning houden met de zogenaamde postcoderoos. Als de tijdelijke voorziening wordt verplaatst naar een locatie buiten het oorspronkelijke postcodegebied, kan voor veel deelnemers de belastingkorting vervallen. Dit brengt de nodige administratieve en financiële handelingen met zich mee. Waarschijnlijk zal dan bij de belastingdienst ook een nieuwe aanwijzing aangevraagd moeten worden.
Raadpleeg voor meer informatie vraag 2.6 en 2.7 in de veelgestelde vragen over Juridische Aspecten

 

1.16 Wie moet ik bij de belastingdienst benaderen als ik specifieke vragen heb over de regeling in relatie tot mijn project?

Voor vragen over de regeling kunt u terecht bij de BelastingTelefoon, 0800 - 0543 (gratis). De BelastingTelefoon is bereikbaar van maandag tot en met donderdag van 08:00 tot 20:00 uur en vrijdag van 08:00 tot 17:00 uur.

1.17 Waar kan ik voorbeelden vinden van collectieven die gebruik maken van de regeling? 

In de lijst initiatieven op de website van HIER opgewekt staan ook de initiatieven vermeld die bezig zijn met deze regeling. Maar kijk ook in de Lokale Energie Monitor.

 1.18 Hoeveel aanwijzingen zijn er al gedaan door de belastingdienst? 

In 2016 zijn er, voor zover wij begrepen (zie ook Lokale Energie Monitor 2016) : 30 aanvragen, 23 beschikkingen en 7afwijzingen of intrekkingen.

Deze lijst van veelgestelde vragen en antwoorden is tot stand gekomen door samenwerking tussen HIER opgewekt en Eversheds. Medewerkers van het Ministerie van Economische Zaken en het Ministerie van Financiën hebben commentaar geleverd. De lijst wordt regelmatig aangepast en geactualiseerd. Heeft u vragen, stel deze dan via info@hieropgewekt.nl. Aan de inhoud van dit artikel kunnen geen rechten worden ontleend. Het verdient aanbeveling om zo nodig in concrete gevallen advies in te winnen.